PROF. DR. JOOP HARTOG



WTP als machtsstrijd

22 maart 2024

Joop Hartog, Boudewijn van Ittersum, Jan Lely en Bernard van Praag

Pensioenfondsen zijn ooit ontsproten aan idealistisch paternalisme, om werknemers de zekerheid te geven van een onbezorgde oude dag. Het is wel wrang  dat dit paternalisme nu is teruggebracht  tot de suggestie dat werknemers met de onzekerheid van “defined contributions” beter af zullen zijn.

 

  1. Macht in plaats van overleg

Er is veel gestreden tegen de Wet Toekomst Pensioenen op inhoudelijke gronden. De wet is in 2023 aangenomen door de Tweede Kamer op haar laatste vergaderdag in oude samenstelling. De Eerste Kamer heeft de Wet bekrachtigd. Maar na de verkiezingen in november 2023 is de samenstelling van de Tweede Kamer drastisch veranderd zodat de WTP  nu waarschijnlijk geen Kamer- meerderheid meer zou halen.

In de laatste jaren heeft zich naast de voorstanders  een groeiend koor van tegenstemmers gemeld, maar  voor- en tegenstanders zijn niet in staat elkaar te overtuigen.[i] Je zou ook kunnen zeggen dat de voorstanders de erkende onzekerheden en risico’s van een radicale stelselovergang voor lief nemen en de tegenstanders niet: “Casino pensioen”, “gok met € 1500 miljard”.  Of  vaststellen dat de discussie zich heeft afgespeeld tussen doven. Zeker de tegenstanders vinden dat zij tegen een blinde muur hebben staan roepen. Aan beide kanten heeft men zich ingegraven, de frontlijn verschuift niet meer. Anders gezegd: het wapen van inhoudelijke discussie, op rationele argumenten gevoerd, argumenten  toetsend op hun kracht, werkt niet meer. De intellectuele discussie is dood.

Toch is het niet stil over de WTP in de publieke arena, met name niet door de nieuwe samenstelling van de Tweede Kamer. Tot nu toe hebben tegenstanders van de wijziging voornamelijk inhoudelijke bezwaren naar voren gebracht. Maar daardoor is het debat tot nog toe te veel beperkt gebleven tot de kring van deskundigen, waardoor niet alleen de onderliggende machtsstrijd, maar ook de zeer grote financiële en maatschappelijke belangen en risico’s tot nu toe onvoldoende worden onderkend: circa 10 miljoen belanghebbende burgers, een ongekende gezamenlijk spaarpot van 1.500 miljard euro, een zeer kostbare en vermoedelijk onhaalbare administratieve transitie en last but not least een juridisch zeer betwistbare onteigening. In bijgaand artikel kiezen we er daarom voor om de strijd niet te zien als een oprechte zoektocht naar een maatschappelijk optimale uitkomst maar als een simpele machtsstrijd over belangen.

  1. Belanghebbende partijen

Het is niet moeilijk om belanghebbenden bij de WTP te identificeren, mede niet omdat ze zich als zodanig hebben aangemeld. Om te beginnen de werkgevers. Die willen gewoon af van het oude systeem: over premies onderhandelen, de overeengekomen sommen afdragen en verder geen zorgen en risico’s. Werkgevers roeren zich niet, maar omarmen in tevreden stilte de WTP.[ii] Laten we daarbij vooral niet vergeten wie de grootste werkgever is in Nederland: de Staat der Nederlanden  en alle daaraan ondergeschikte werkgevers zoals gemeentebesturen, waterschappen, schoolbesturen, enz, enz. De Staat, vertegenwoordigd door het Kabinet, poseert als onafhankelijk wetgever en beleidsmaker maar speelt in feite in een dubbelrol. Het is interessant om te overwegen in hoeverre bij de opstelling van SER-adviezen deze nooit officieel genoemde belangen van de Staat en de pensioenbranche een rol hebben gespeeld.

Verzekeraars, adviseurs, beleggers, het hele  leger van beheerders , adviseurs, actuarissen en accountants,   staat gulzig gereed. Niet te beroerd om op risico’s en onzekerheden te wijzen want dat duidt op noodzaak van hun expertise. De stelselwijziging is koren op de molen van verzekeraars. In De Nederlandse Insurance Outlook 2023 blikten de verzekeraars vooruit op de kansen die ze zagen om hun belang in de pensioenmarkt te vergroten[iii]. Ze voorzagen een lang en complex proces, waarbij veel keuzes moeten worden gemaakt, met veel extra werk en ook veel kostendeclaraties: invulling en inrichting van de regeling, wel of niet invaren, keuze voor een methode van invaren, risicohouding bepalen, communicatieplan en implementatieplan ontwikkelen, kostenefficiënt inrichten van de regelingen, renterisico’s afdekken, SWAP- transacties, enz.. Ze voorzien ook dat veel pensioenfondsen de transitie naar het nieuwe stelsel niet aan kunnen, door gebrek aan expertise en schaalgrootte. Daar ligt dus een prachtig gat in de markt voor de commerciële verzekeraars:  “Verzekeraars kunnen van deze onzekerheid gebruik maken door zich te bewegen in de (closed book) pensioenfondsenmarkt”. Het zal duidelijk zijn dat pensioendeelnemers daarmee niet gebaat zijn, want de winsten van commerciële verzekeraars gaan ten koste van de pensioenuitkeringen, c.q. verhogen de te betalen pensioenpremies.

Pensioenfondsbestuurders worden in Nederland slechts benoemd na goedkeuring door DNB. Actuarissen en accountants kunnen slechts jaarstukken goedkeuren wanneer de DNB -richtlijnen worden gevolgd. Het is dan wel bijzonder naïef om te denken dat zulke personen zich kritisch zouden uiten over de richtlijnen en denkbeelden van DNB. En dat zelfde geldt voor vele jongere personen die hopen mettertijd voor zo’n bestuursrol (voor een beloning van ca € 40.000 per jaar) in aanmerking te komen, wanneer zij zich ‘oppassend’ gedragen en zich op de juiste manier uiten in het publieke debat.[iv]

De adviezen van de pensioenbranche kunnen belangrijk zijn of zelfs noodzakelijk voor de techniek en praktische uitvoering van pensioencontracten, maar we moeten nooit vergeten dat het adviezen zijn van in hoge mate belanghebbende partijen, die het maatschappelijk belang niet vanzelfsprekend voorop stellen.

Het publiek debat is en wordt ook in sterke mate gevoerd door wetenschappers, geïnteresseerde pensioendeskundigen, journalisten, fondsbestuurders,  en personen met betrokkenheid bij de publieke zaak. Zijn zij altijd vrij van persoonlijke of institutionele belangen? Dit is een heikele vraag, die men in fatsoenlijke kringen niet pleegt te stellen. Toch moet het maar eens gebeuren. De mythe dat zij onafhankelijk zijn moet maar eens worden doorgeprikt. Het is onze indruk dat maar weinig deelnemers aan het publieke debat volstrekt onafhankelijk zijn en geen consequenties van hun opstelling hoeven te vrezen.

De klasse van wetenschappers wordt natuurlijk par excellence voor onafhankelijk gehouden, maar dat valt bij nader inzien tegen.  Voor pensioenonderzoek is namelijk geld nodig van opdrachtgevers en die stellen zo hun eisen. Een duidelijk  voorbeeld van zo’n club van wetenschappers die zich ontwikkeld heeft tot een uitstekend lobby – instrument in dienst van het pensioen-financieel complex is de hofleverancier van wetenschappelijke adviezen: Netspar. In het imposante koor met kritiek op de stelselherziening hebben we de stem van Netspar zelden gehoord. Netspar citeert op zijn website uit een NWO evaluatie dat “het netwerk een onafhankelijke positie inneemt in het pensioendebat en….probeert nadrukkelijk kennis te objectiveren”. De Wetenschappelijke Raad (van Netspar) roemt de hoge onderzoekskwaliteit. Maar beïnvloeding van het werkprogramma door belanghebbenden is van dichtbij mogelijk. Het werkprogramma wordt opgesteld en bewaakt door de Raad van Toezicht, onder voorzitterschap van de bestuursvoorzitter van het ABP, een raad met 7 leden waarvan slechts één uit de universitaire wereld en de rest namens betrokkenen in het veld (pensioenfondsen, een verzekeraar, sociale partners). De Stichtingsraad, “adviseur aan verschillende organen van Netspar”, benoemt 5 van de 8 leden van de Raad van Toezicht. De Stichtingsraad heeft 23 leden, waarvan 9 uit de universitaire wereld. Vier leden zijn geassocieerd met grote bedrijven, de overige leden komen uit pensioenfondsen en toezichthouders. De voorzitter van de Raad van Toezicht is ook voorzitter van de Stichtingsraad. In de meerjarenbegroting komt ruim 40% van de middelen uit partnercontracten, ruim 10% van de rijksoverheid en zo’n 15% uit doelgerichte subsidies. Partnercontracten worden afgesloten met “organisaties die zich bezighouden met pensioenen en oudedagsvoorzieningen”. Onderzoekers zijn vrij in het uitvoeren van hun onderzoek, maar belanghebbenden uit de pensioenwereld zijn nauw betrokken bij het opstellen van het onderzoekprogramma. Van adviezen van Netspar en andere adviserende instanties zijn achterliggende modellen en gebruikte veronderstellingen meestal niet te achterhalen en daardoor niet vatbaar voor de gebruikelijke wetenschappelijke controle.

De doelgroepen waar het allemaal om draait: de werknemers en de gepensioneerden, zijn slecht vertegenwoordigd geweest in de publieke discussie. Formeel worden zij in de Nederlandse polder vertegenwoordigd door de vakbonden, wat in de praktijk neerkomt op het primaat van de grootste bond, het FNV. Met een organisatiegraad ( in 2022) van ca.27% voor 55-65 jarigen en ca.11% voor de leeftijdsklasse 25-35, is het dubieus of de vakbond als representatieve of zelfs enige onderhandelingspartner recht van spreken heeft. De vakbond moet twee heren dienen met uiteenlopende belangen. De jongere leden willen lage premies en de ouderen willen een hoog en geïndexeerd pensioen. Zie dat maar eens aan elkaar te breien. De vakbond heeft in de praktijk de zijde der actieven gekozen.

Het is onduidelijk waarom de vakbonden hebben ingestemd met overgang naar de WTP. Het is wel duidelijk dat het niet van een leien dakje ging. De FNV raakte er door in een leiderscrisis en is er bijna op gescheurd. De grootste bond binnen de Federatie, FNV Senioren, is het zwijgen opgelegd.  De actieve leden zijn uiteindelijk over de streep getrokken door de toezegging dat de verhoging van de AOW leeftijd (ivm de lasten van de vergrijzing) zou worden vertraagd.

De leden zijn slecht geïnformeerd en slecht voorgelicht. Jongeren zijn meestal ook niet geïnteresseerd. Het gaat bij de meesten over hun hoofd heen.  En precies daarom zijn pensioenfondsen opgericht, om hen te dienen. Als individuele werkers voor zich zelf konden zorgen hoefde je geen verplichting tot het betalen van premie op te leggen, dan zouden ze wel zelf sparen en beleggen. Maar: paternalisme, solidariteit, risicodeling, de macht van de collectiviteit, schaalvoordelen etc, allemaal overwegingen die zijn ingezet om de arbeider te hoeden voor armoe  en tegenvallers op de oude dag. Als we een nieuw stelsel bouwen, moet dat dus voor hen beter zijn dan het oude. Het is niet overtuigend aangetoond dat dit zo is, en niemand ontkent de gigantische risico’s[v].  Inflatie is een groot  risico met slechte  dekking. Het paternalisme is daarmee op zijn kop gezet: “we breken het oude systeem af, jullie hebben al die zekerheid helemaal niet nodig”.[vi] Niet onbegrijpelijk trachten bonden van gepensioneerden (bijv. Koepel Gepensioneerden, KBO -Brabant, ANBO) invloed te krijgen op de besluitvorming. Zij zijn echter geen lid van de SER en de invloed van gepensioneerden wordt beperkt tot hoor- en adviesrecht, waar in de besluitvorming geen rekening mee hoeft te worden gehouden en dat gebeurt dan ook niet. Daarbij hebben die seniorenclubs onderling nog meningsverschillen zodat een eenstemmig geluid  zelden hoorbaar is en daar wordt dankbaar gebruik gemaakt door de polder-onderhandelaars.

Inmiddels worden, ten gunste van het oude stelsel, ten bate van de werknemers en gepensioneerden, in lijn met het oude idealistische paternalisme, tal van rechtszaken  gevoerd[vii]. Daarbij gaat het om de onteigening van opgebouwde pensioenrechten. De langst lopende procedure tegen de Staat door Stichting Pensioenbehoud samen met KBO-Brabant bij de Hoge Raad komt naar verwachting/hopelijk tot een uitspraak in de eerste helft van dit jaar. Daarnaast loopt de procedure van Frans Nijhoff tegen de Staat (zie ABPpensioen.nl) en wordt er gewerkt voor de Stichting PensioenVoldoen aan het gaan starten van een bodemprocedure tegen de Staat door Jos Wouters (als massaclaim met externe financier). Wat ook de uitkomst van deze zaken zal zijn, hun pure bestaan wijst op een evident gebrek aan draagvlak, zo niet op verbittering van pensioengerechtigden, en een gevoel van onmacht.  Een wrang teken is ook het advies van de landsadvocaat in 2011 aan de verantwoordelijk minister, die concludeerde dat “invaren” op wankele juridische basis berust en dat de kans groot is dat de legitimiteit daarvan geen stand houdt bij de rechtbank: dat advies werd niet gepubliceerd en slechts na lang aandringen aan de Kamerleden vertrouwelijk ter inzage gegeven, dertien jaar na dato…!

 

De stelselherziening is zeker niet geïnitieerd door de pensioenfondsen.[viii] Het grote  pijnpunt van de werknemerspensioenen in de afgelopen decennia is het loslaten van indexering aan inflatie en reële groei. Technisch gesproken is de oorzaak daarvan de  door DNB opgelegde verplichting om  toekomstige verplichtingen te waarderen tegen een onrealistisch  lage discontovoet, waardoor de  vermogenssituatie  van fondsen geen ruimte biedt voor indexering. Tot het einde van de vorige eeuw werd algemeen een conventionele discontovoet gehanteerd van 4%, door  pensioenfondsen, maar ook door verzekeringsmaatschappijen. Onder invloed van ontwikkelingen in de financieel-economische theorie werd dit rond 2000 als achterhaald beschouwd, “niet langer van deze tijd”. De nieuwe norm werd “marktwaardering”. In 2006 schrijft DNB als toezichthouder ‘marktwaardering’ voor, d.w.z., disconteren van verplichtingen tegen de rente op staatsobligaties met een looptijd tot het toekomstig jaar waarin die verplichtingen moeten worden ingelost. De forse rentedaling op staatsobligaties en soortgelijke ‘goud- gerande’ waarden tot ca. 0% heeft vervolgens de dekkingsgraad omlaag gebracht en de indexering om zeep geholpen.[ix] Het rendement op de fondsreserves lag in die jaren echter gemiddeld op ca. 6%.

DNB heeft met strakke hand haar visie op adequaat pensioenbeheer opgelegd aan de sector, met discontering tegen de marktrente, als uiting van de nadruk op de korte termijn, op een jaarlijks peilmoment in staat zijn om aan alle verplichtingen te voldoen, in plaats van nadruk op de lange termijn, op het vermogen om in de toekomst de toegezegde pensioenen te betalen (uitkeringszekerheid in plaats van dekkingszekerheid, in de woorden van Tamerus (2011).[x] Actuarissen in de pensioenwereld hebben zeker meegewerkt om marktwaardering toe te passen bij de pensioenfondsen, maar er werden ook bezwaren geuit en er werd wel  degelijk ook op risico’s gewezen (zie Hartog 2022). Maar de dominantie en strakke hand van DNB, de tuchtiging welhaast van de pensioenfondsen, spreekt duidelijk uit de woorden van Tamerus, prominent deelnemer aan overleg en meningsvorming. Volgens hem heeft DNB zich in discussies over de gewenste institutionele vormgeving ‘weinig toegankelijk’ opgesteld. Overleg over studies in opdracht  van de Pensioenfederatie en van het Actuarieel Genootschap werd afgehouden, omdat DNB vasthield aan het uitgangspunt van volledige instantane dekking. De eisen die werden opgelegd naar aanleiding van de dot.com crisis vonden de fondsen te zwaar en niet bevorderlijk voor herstel. Stichting van de Arbeid en SER deelden die opvatting, maar het kabinet greep niet in.

  1. Conclusie

Onze conclusie is duidelijk. De stelselherziening is niet ingezet op verzoek van de circa tien miljoen gepensioneerden. Er is niet aangetoond dat het in hun belang is, in tegendeel: de uitkeringen worden in plaats van vast variabel zonder bodem en afhankelijk van de financiële markten. Zij hebben geen inspraak. Ook de pensioenfondsen hebben er niet om gevraagd. De stelselwijziging is geïnitieerd door de politieke zucht naar individualisering. De voorstanders zijn werkgevers, verzekeraars, financiële specialisten en adviseurs, met een duidelijk eigen financieel belang. De verandering is ingezet naar aanleiding van de kritiek op de geheel onnodige non-indexering en kortingen van de afgelopen jaren. De opgebouwde gezamenlijke pensioenpot van liefst 1.500 miljard euro, drie keer ons jaarlijkse bruto nationaal produkt, was en blijft ruim voldoende om de gecontracteerde vaste pensioenen te honoreren. De oorzaak van het probleem ligt bij de door de toezichthouder DNB bepaalde irreëel lage risicovrije rekenrente, terwijl de premies risicodragend  belegd worden. Onze Centrale Bank is en blijft doof en drukt het nieuwe systeem met grote voortvarendheid en machtsvertoon door. Bovendien: de juridische haalbaarheid van de onteigening van de pensioengerechtigden wordt betwijfeld door de Landsadvocaat en de administratieve transitie (kosten geschat op vele miljarden ten koste van de pensioenpot) eveneens. De stelselwijziging is in het parlement aangenomen met druk van fractiediscipline. In de nieuwe samenstelling van de Tweede Kamer zou de WTP hoogstwaarschijnlijk niet zijn aangenomen. Hoog tijd dus voor een herbezinning door werkelijk onafhankelijke deskundigen tijdens deze periode van coalitie onderhandelingen in Den Haag, zowel op de inhoud (m.n. hoogte rekenrente) als de gekozen procedure (mn. inspraak pensioengerechtigden) van deze herziening. Zo niet, dan loopt deze voortdenderende trein vast in juridische, adminstratieve en maatschappelijke chaos.

Referenties 

De Nederlandse Insurance Outlook 2023 

Hartog, J. (2022), “Longread: Hoe pensioenfondsen lijnrecht tegenover de toezichthouder kwamen te staan”, Me Judice, 10 november 2022.

Tamerus, J. (2011), Defined ambition: Een noodzakelijke stap in de evolutie van het pensioencontract naar een duurzaam evenwicht tussen “willen” en “kunnen“, proefschrift  Universiteit van Amsterdam, Delft: Eburon

Valkenburg, F. (2000), Het debat, Dossier Transparante Pensioenfondsen, Het debat – ESB

 

 

 

[i] Zie beschrijving van de geschiedenis in Joop Hartog, “Longread: Hoe pensioenfondsen lijnrecht tegenover de toezichthouder kwamen te staan”, Me Judice, 10 november 2022. Zie ook Tamerus (2011).

[ii] Enkele citaten uit het verleden over de opstelling van werkgevers.

Gaston Siegelaer, “Meer grip op pensioenrisico met individueel pensioensparen dan met pensioenplannen Kamp”, Me Judice, 21 juni 2012:

De Hoofdlijnennota van minister Kamp is een volgende stap in het proces dat door het Pensioenakkoord uit juni 2010 in gang is gezet. De belangrijkste boodschap van dat Pensioenakkoord is dat de pensioenrisico’s grotendeels bij de deelnemers zelf neergelegd moeten worden, omdat werkgevers niet meer het leeuwendeel van die risico’s willen dragen. Het gaat dan zowel om de risico’s van langer leven als de risico’s van tegenvallers in de beleggingen ten opzichte van de pensioenverplichtingen.

De pensioenvoorstellen van minister Kamp liggen nu op tafel (6 juni 2012) (stichtingpensioenbehoud.nl):

Het commentaar van het VNO-NCW over deze voorstellen is juichend en dat geeft te denken.

[iii] Interessant is ook de volgende opmerking in dit artikel: ”Het is nog de vraag of de WTP de belangrijkste kritiekpunten, zoals de complexiteit, inflatiebestendigheid en robuustheid van het huidige pensioenstelsel weet op te lossen.” Nederlandse Insurance Outlook 2023 

[iv] Het mag zeker schrijnend worden genoemd dat actuaris Agnes Joseph haar dienstverband bij een pensioenfonds opzegde omdat zij niet langer de verplichting kon accepteren om te rooskleurige vooruitzichten van de stelselwijziging te publiceren. Zie haar bijdrage als Kamerlid in de pensioendiscussie, Handelingen Tweede Kamer, 17 januari 2024.

[v] Dit is uitentreure naar voren gebracht in de jarenlange discussies. Zie bijv het symposion VAN PENSIOENWET 2006 NAAR WET TOEKOMST PENSIOENEN: EEN SPRONG IN HET DUISTER?, www.joophartog.nl/symposion WTP

[vi] Voor wie nog betwijfelt dat het nieuwe stelsel deelnemers met meer onzekerheid confronteert dan het oude stelsel: Er is een pensioenfonds dat in zijn kwartaalbericht, over de vooruitzichten van een deelnemer die 40 jaar premie betalen zal gaan volmaken, aangeeft dat het “neutraal” verwachte pensioen € 31 000 per jaar zal bedragen, € 13 000 per jaar “als het tegen zit en € 89 000 per jaar “als het meezit”. Wat zal dat een veilig gevoel geven aan de deelnemers.

[vii] Dank aan Erik Daae voor het overzicht.

[viii] Ter staving de volgende citaten.

De stelselherziening dook op in de Hoofdlijnennota van Minister Kamp in 2012.

De pensioenvoorstellen van minister Kamp liggen nu op tafel (6 juni 2012) (stichtingpensioenbehoud.nl):

 

Directeur Riemen van de Pensioen Federatie in het FD van 31 mei:  ‘Fondsen willen niet zulke grote risico’s lopen’. De meeste pensioenfondsen  zoals ABP en PFZW willen om meer redenen niet overstappen naar een nieuw type pensioencontract dat minister Henk Kamp van Sociale Zaken afgelopen woensdag heeft gepresenteerd, aldus het FD. Ook voor ondernemingspensioenfondsen acht Guus Boender van Ortec Finance het nieuwe contract niet aantrekkelijk. Bovendien valt de dekkingsgraad in het oude contract 25 tot 35 procentpunten gunstiger uit dan in het nieuwe contract, aldus het FD. Ook Willem Noordman van FNV Bondgenoten stelt: ‘Ik acht de kans heel groot dat veel fondsen in het huidige systeem zullen blijven. Mensen willen liever zekerheid over hun uitkering en niet permanent geconfronteerd worden met kortingen’, zegt hij in het FD van 31 mei.

 

[ix] De kredietcrisis van 2008, met de dramatische daling van de beurskoersen, zorgde ook voor grote problemen, maar het forse koersherstel daarna, zou bij een disconteringsvoet van 4% indexering niet in de weg hebben gestaan.

[x] Frappant zijn de uitlatingen van actuaris Valkenburg (2000), op een conferentie van het Actuarieel Genootschap: Hij vindt dat sociale partners moeten vaststellen wat de pensioentoezegging inhoudt. Zij dienen ook samen te bepalen welke mate van zekerheid bij de toezegging hoort, die moet niet van buiten aan een minimum worden gebonden. “Het gevaar is groot dat als dit wel gebeurt de werkgevers dit zullen aangrijpen om de pensioentoezegging drastisch te versoberen of over te gaan naar andere toezegging zoals het beschikbaar premiesysteem. Dit is de tweede reden waarom ik minder blij ben met de opstelling van de Verzekeringskamer. Bij dit laatste systeem is de pensioenuitkomst vooraf onzeker en draagt de werknemer alle risico’s. Zonder te bedoelen dat een beschikbaar premiesysteem per definitie een slecht systeem is, vraag ik me wel af of we een dergelijke tendens bewust op gang zouden willen brengen door het stellen van strenge minima door de overheid of de toezichthouder.” Hoe profetisch!

 



Powerpoint presentaties



WTP persbericht

Op woensdag j.l. vond in Utrecht een symposium plaats onder de titel  VAN PENSIOENWET 2006 NAAR WET TOEKOMST PENSIOENEN: EEN SPRONG IN HET DUISTER?

 

Het symposium werd georganiseerd door drie prominente gepensioneerde hoogleraren (Jean Frijns, Joop Hartog en Bernard van Praag) in de economie.
Het symposium ging over de toekomst van het Nederlandse pensioenstelsel en kiest daartoe een brede insteek. Er waren zowel bijdragen van voorstanders als van tegenstanders van de ophanden zijnde pensioenhervorming plus bijdragen over aard en achtergronden.

Het symposium beoogde een kritische, open evaluatie van de WTP en de weg daar naar toe. En een kritische evaluatie is het zeker geworden. Geen van de sprekers uitte ongeconditioneerde lof; twijfel was er over de belofte van een koopkrachtiger pensioen. Kan de WTP deze belofte wel waarmaken? Zo is het zogenaamde beschermingsrendement gericht op het nominale pensioen en geeft geen bescherming voor het inflatierisico. De beperkte risicodeling tussen leeftijdsklassen kan leiden tot grote verschillen in pensioenuitkomst. De in dit verband in opdracht van de minister gemaakte berekeningen zijn volgens vele aanwezigen discutabel en de gekozen uitgangspunten en aannames houden onvoldoende rekening met de grote lange termijn onzekerheden. Maar zelfs diegenen die de WTP als onontkoombaar zien, hameren op de noodzaak van voortgezette discussie; het nieuwe stelsel is nog verre van af; zo is ook de rechtsbescherming van de deelnemers nog onvoldoende geregeld.

Enkele saillante uitspraken

• Frijns: de stelselherziening gaat in de eerste plaats over risicoverschuiving naar de individuele deelnemer
• Van Ewijk: de vergrijzing van de fondsen brengt werkgevers en werkenden ertoe zich terug te trekken als risicodrager van het pensioenfonds waardoor de huidige pensioenbelofte moeilijk is vol te houden
• Teulings benadrukt het belang van een hoge allocatie naar aandelen voor een goed en betaalbaar pensioen maar dat kan alleen in een breed fonds met verplichte deelneming
• De Beer betreurt het verloren gaan van het collectieve karakter
• Meertens: de rechtsbescherming van het individu is onvoldoende geregeld
• Maassen ziet giga problemen bij transitie
• Berkemeijer vreest druk op premies en vlucht in extra risico’s. Uiteindelijk gaat dat ten koste van het koopkrachtperspectief van alle generaties. Hij uit forse kritiek op de assumpties die aan de pensioenberekeningen ten grondslag liggen.
• Agnes Joseph; nu de WTP er (nagenoeg) is, is het tijd om afstand te nemen en te bezien wat werkt en niet werkt. Wat vanuit de theorie logisch is hoeft in de praktijk niet te werken. Ook na de WTP moet pensioen in ontwikkeling blijven.
• Eijffinger: de extreem lage rente onder Draghi en Lagarde rente heeft binnen het FTK desastreus uitgepakt
• Volgens Werker krijgen werkenden onder de WTP een beter contract en de ouderen een hoger pensioen
• Van Popta: de WTP is een voldongen feit maar zeker geen eindpunt; er valt nog veel te verbeteren
• Mensonides: de uitkomsten onder WTP worden te rooskleurig voorgesteld; een slecht weer scenario ontbreekt

 

In het eerste deel wordt de overgang naar de WTP geplaatst binnen de trend van risicoverschuiving naar de deelnemers, versobering en financiële (lange termijn) planning op niveau van het individu. Het FTK past, volgens Frijns, niet in deze trend; de nadruk ligt op harde gegarandeerde rechten door het pensioenfonds in combinatie met (markt)waardering en onmiddellijke affinanciering van de aangegane verplichtingen. Het FTK wordt, ondanks de kritiek dat het afhankelijk van de hoogte van de inflatie tot oppotten dan wel tot potverteren leidt, ten onrechte als referentiekader voor de beoordeling van de WTP gebruikt.
Van Ewijk constateert dat de vergrijzing en rijping van fondsen werkgevers en werkenden hebben doen terugtrekken als risicodrager van pensioenfondsen. Dit is de achtergrond van de overgang naar een premieregeling (zoals ook elders in de wereld). Het doorschuiven van tekorten in de huidige – zeer diverse- 2e pijler is moeilijk vanwege het discontinuïteitsrisico omdat nieuwe deelnemers/jongeren kunnen afhaken.
Teulings benadrukt in zijn bijdrage dat een goed en betaalbaar pensioen een (veel) hogere allocatie naar aandelen vereist dan onder de WTP mogelijk is. Dat vereist een optimale risicodeling waarbij gebruik wordt gemaakt van het menselijk kapitaal als onderdeel van het totale kapitaal en schokken over de rest van het leven kunnen worden uitgesmeerd. Dit kan binnen de context van brede pensioenfondsen met een semi-publiek karakter.

Ook De Beer betreurt het verloren gaan van het collectieve karakter. Doordat het pensioen steeds meer als een financieel product wordt gezien in plaats van als collectieve voorziening, wordt het fundament van solidariteit en collectiviteit geleidelijk uitgehold. Wat bij een collectieve voorziening vanzelfsprekend lijkt – solidariteit, doorsneepremie, gegarandeerde uitkeringen- wordt bij een financieel product discutabel en moet expliciet worden verantwoord. Door hierin mee te gaan heeft de vakbeweging onbedoeld bijgedragen aan de erosie van solidariteit en collectiviteit. Van Meerten gaat daarop verder. Pensioen is een eigendomsrecht; de deelnemer draagt straks alle risico’s. Omdat pensioen als financieel product moet worden gezien, vereist dat andere structuren dan die nu in de Wet Toekomst Pensioenen staan, met name op het gebied van rechtsbescherming van het individu. De voorstellen gaan daarin niet ver genoeg, zo blijkt met name uit de EU rechtspraak.

Maassen, Joseph en Berkemeijer gaan in op het hobbelige pad naar het nieuwe pensioenstelsel. Maassen benadrukt de grote problemen die bij de transitie naar individuele pensioenrekeningen zullen opdoemen. Ook omdat zowel AFM als DNB nog weinig inhoudelijke criteria hebben vastgesteld voor de transitie. Als directeur pensioenen bij ABP/APG heeft hij ruime ervaring met soortgelijke transities die ieder minder omvattend waren maar desondanks tot giga – problemen leidden. Hij pleit daarom voor een geleidelijke overgang waarbij de WTP alleen van toepassing is voor nieuwe deelnemers, met individueel recht van overgang voor bestaande deelnemers. Ook is hij beducht voor juridische procedures tegen pensioenfondsen door onvolkomenheden in de transitie.
Agnes Joseph constateert dat door vele partijen veel input is geleverd voor de pensioenwet. Nu de wet klaar is, is er de mogelijkheid om afstand te nemen. Er is bijvoorbeeld inbreng die vanuit de theorie misschien logisch is naar in de praktijk helemaal niet lijkt te werken. Ook wordt afscheid genomen van vertrouwde regels zoals de ‘genoeg is genoeg regel. Dat lijkt financieel aantrekkelijk maar is het ook wenselijk vanuit het oogpunt van communicatie? Zij oppert een aantal ideeën voor verbetering want zelfs met de komst van de WTP blijft pensioen in ontwikkeling. Hopelijk met het beste resultaat voor alle deelnemers voor ogen! Berkemeijer, actuaris en toezichthouder, vreest dat in het nieuwe stelsel het premieniveau en de kwaliteit van de regeling onder druk komt. Als we het huidige premieniveau voor beschikbare premieregelingen als maatstaf nemen ligt een halvering van de premiesom van zo’n 36 miljard Euro in het verschiet. Dat biedt weliswaar extra loonruimte aan sociale partners, maar moet dan worden opgevangen door meer risicovol te beleggen, en door zelfs bij te lenen voor jongeren. De huidige zekerheid van 97,5% van het pensioen gaat dan fors omlaag naar zo’n 50%. Aandachtspunt is ook dat de compensatie voor afschaffing van de doorsneesystematiek ten laste mag worden gebracht van het vermogen van alle deelnemers. Daardoor vermindert het koopkrachtperspectief voor alle deelnemers. Aangezien een koopkrachtig pensioen na pensioendatum voor alle deelnemers en gepensioneerden essentieel is, zijn extra waarborgen nodig en zou een koopkrachtgerichte sturing waarbij gebruik wordt gemaakt van rendementen en de solidariteitsreserve, wettelijk mogelijk gemaakt moeten worden. Er zou dan pas sprake mogen zijn van compensatie uit het vermogen als er naar verwachting voor alle generaties sprake is van uitzicht op een koopkrachtig pensioen.

 

In de paneldiscussie wordt ingegaan op een veelheid van onderwerpen.

Eijffinger benadrukt dat door acties van de ECB de rente op overheidsobligaties gedrukt is tot onder het evenwichtsniveau. Dat heeft binnen het geldende financieel toezichtkader desastreus uitgepakt maar is geen reden om hals over kop en massaal over te stappen op een heel ander stelsel. Hij voorziet grote problemen bij de invoering maar ook in de werking van het nieuwe stelsel.

Van Popta heeft een viervoudige boodschap: het WTP is een voldongen feit (“ we hebben de schepen achter ons verbrand”), in de transitie naar het nieuwe contract moeten we minder risico’s nemen, het nieuwe contract moet veel minder complex worden en vooral de pensioendiscussie moet doorgaan. Een beleidspauze kunnen we niet hebben.

Werker licht zijn rol als adviserend wetenschapper in het voorbereidingsproces van de WTP toe. Hij laat politieke keuzes uitdrukkelijk bij zijn opdrachtgevers. Desgevraagd gaat hij ook in op de rol van Netspar; Netspar bewaakt zelf het wetenschappelijk niveau en de integriteit van het onderzoek. De programmaraad, waarin ook sociale partners, verzekeraars en pensioenfondsen zitten, maakt de keuzes wat te onderzoeken.

Mensonides vraagt aandacht voor de complexiteit van de modellen die gebruikt worden om de uitkomsten onder de WTP te berekenen. De complexiteit verhult dat de gunstige uitkomsten het resultaat zijn van subjectieve keuzes voor de modelparameters. De lange termijn inflatie- en renterisico’s worden daardoor onderschat en die van aandelen overschat. De uitkomsten geven derhalve geen goed beeld van WTP in slecht weer omstandigheden. Een onomkeerbare en ingrijpende stelselherziening wordt door het parlement geloodst op basis van onvolledige en gekleurde informatie. Opvallend is ook dat alternatieven die voor lange termijn stabiliteit kunnen zorgen zoals een combinatie van omslag en kapitaaldekking niet zijn onderzocht.

Van Praag en Hartog stellen dat in de laatste 15 jaar de fondsen in totaal gemiddeld per jaar 100 miljard hebben gespaard. Daardoor is het totale vermogen van ca. 500 miljard in 2008 nu tot ca. 1700 miljard aangegroeid. In het licht van dat feit kan men moeilijk zeggen dat het huidige systeem onhoudbaar is geworden. Het lijkt haalbaar en voor de hand te liggen een aanzienlijk deel van de uitkeringen à ca. € 35 miljard uit het vermogensrendement van ca. €100 miljard te dekken met gelijktijdige verlaging van de pensioenpremies.

Veel aandacht in de discussie met de zaal gaat uit naar het ondoorzichtige, hoog-technische voorbereidingsproces waarin relevante alternatieven snel uit beeld verdwenen. Ook de dominante rol van DNB roept vragen op; gaat DNB daarmee niet teveel op de stoel van de wetgever zitten en leidt het tot marginalisering van de rol van andere deskundigen?

 

Sprekers

– Van Ewijk, hoogleraar Universiteit Amsterdam
– Teulings, hoogleraar Universiteit Utrecht
– De Beer, hoogleraar Universiteit Amsterdam
– Meertens, hoogleraar Universiteit Utrecht en advocaat
– Maassen, oud-directeur operaties APB/APG
– Agnes Joseph, actuaris Achmea
– Berkemeijer, Zelfstandig Actuaris
– Mensonides, oud-directeur beleggingen ABP en bestuurder pensioenfondsen
– Werker, Hoogleraar Universiteit Tilburg en Netspar hoogleraar
– Eijffinger, em-hoogleraar Universiteit Tilburg
– Van Popta, bestuurder pensioenfondsen
– Van Praag, em-hoogleraar Universiteit Amsterdam
– Hartog, em-hoogleraar Universiteit Amsterdam
– Frijns, em-hoogleraar Vrije Universiteit



WTP – programma Sypmposion

VAN PENSIOENWET 2006 NAAR WET TOEKOMST PENSIOENEN: EEN SPRONG IN HET DUISTER?

symposion over een ongewisse toekomst

Utrecht 19 april 2023

9.45-18.00

De laatste jaren is er een heftig debat gevoerd over de noodzaak van een transformatie van het Nederlandse pensioenstelsel. Het voornaamste argument is dat het oude stelsel ‘niet meer van deze tijd’ zou zijn. Maar er is weinig inhoudelijke invulling gegeven aan de vraag waarom het ‘beste systeem  van deze wereld ’ niet meer ‘van deze tijd’ zou zijn. Daarbij heeft het technische karakter van het debat ertoe geleid dat velen van ons door de bomen het bos niet meer zien. Het debat tussen betrokken ingewijden was zeer specialistisch, voor buitenstaanders nauwelijks te doorgronden, discussie daarbuiten was oppervlakkig en leverde geen wezenlijk inzicht in aard en noodzaak van de veranderingen. Bovendien zijn vele regels en voorschriften nog niet uitgewerkt.

Het voorstel Wet Toekomst Pensioenen is in december 2022 aangenomen door de Tweede Kamer en is nu in behandeling bij de Eerste Kamer. De discussie over het wetsvoorstel is zeker nog niet verstomd. Dit symposion heeft als doelstelling om voor (en met) een select aantal genodigden en met eminente sprekers een open gedachtewisseling aan te gaan over noodzaak, aard en gevolgen, en wijze van tot stand komen van de nieuwe wet. De opzet is om de aandacht te vestigen op saillante kernpunten en de pensioenproblematiek te plaatsen in een algemeen-maatschappelijke context, zonder te verdwijnen achter het scherm van technisch jargon.

 

Programma

9.45 uur: Opening en welkom   – prof. Coen Teulings

10.00 – 11.30 uur: Blok 1 De aard van het pensioenstelsel

Voorzitter: drs Han de Jong

  1. Stand van zaken en probleemstelling  – prof. em. Jean Frijns
  2. Waarom de herziening? De rol van de werkgever als risicodrager  – prof. Casper van Ewijk
  3. Wat is nodig voor betaalbare en goede pensioenen?  – prof. Coen Teulings

11.30 – 12.00:  Koffie en thee

12.00 – 13.10 uur: Blok 2   Van collectief naar individueel

Voorzitter: prof. em. Bernard van Praag

  1. Wat betekent de herziening voor de arbeidsverhoudingen?  – prof. Paul de Beer
  2. EU regels, rechten van en zorgplicht naar individu – prof. Hans van Meerten

13.10 – 14.00 uur: Lunch

14.00 – 15.30 uur: Blok 3 Strompelend naar het nieuwe pensioen

Voorzitter:   dr Jeroen Kremers

  1. Pensioenfondsen in transitie, invaren of ingroeien – mr drs Jaap Maassen
  2. Complexiteit, informatie-asymmetrie en governance –  Agnes Joseph Msc.(Act)
  3. Veranderingen op de pensioenmarkt – – drs Jos Berkemeijer (AG)*

15.30 – 16.00: Thee en koffie

16.00 – 17.30 uur: Blok 4 De voorbereiding van de WTP

Panelvoorzitter:  prof. em. Joop Hartog

Paneldiscussie over de rol van de wetenschap, de sociale partners, de toezichthouder, de pensioenfondsen en de deelnemers met als panelleden prof. em. Sylvester Eijffinger, drs Jelle Mensonides, prof. Bas Werker en drs Benne van Popta.

17.30 uur: Borrel

 

 

Organisatie

Organisatie:  prof. em. Jean Frijns, prof. em. Joop Hartog, prof. em. Bernard van Praag in samenwerking met School of Economics Universiteit Utrecht 

 

CV sprekers en organisatoren

Paul de Beer is Henri Polak hoogleraar voor arbeidsverhoudingen aan de Universiteit van Amsterdam, verbonden aan het Amsterdams Instituut voor ArbeidsStudies – Hugo Sinzheimer Instituut (AIAS-HSI) en directeur van het Wetenschappelijk Bureau voor de Vakbeweging De Burcht. Hij studeerde econometrie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en promoveerde in 2001 aan de UvA op het proefschrift Over werken in de postindustriële samenleving. Eerder was hij onder meer werkzaam bij het Sociaal en Cultureel Planbureau en de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Hij heeft gepubliceerd over arbeidsmarktontwikkelingen, sociale zekerheid, solidariteit, pensioen en arbeidsverhoudingen. Zijn meest recente boek is De mythe van de arbeidsmarkt (VUBPress, 2022).

 

Jos Berkemeijer is voorzitter van de RvC van effectenbeurs NPEX en voorzitter van de pensioencommissie van de ‘Koepel Gepensioneerden’. Uit hoofde van die laatste functie, is hij is nauw betrokken bij de ontwikkeling van de WTP. Hij was achtereenvolgens concernactuaris bij Interpolis, managing director van Achmea Pensioenen en Sociale Zekerheid, Mercer Nederland en fintechbedrijf Symetrics. Daarnaast is hij gedurende vele jaren toezichthouder en adviseur bij diverse pensioenfondsen en verzekeringsbedrijven geweest, waaronder recent Centraal beheer Pensioen APF en Pensioenfonds Medewerkers Apotheken.

 

Sylvester Eijffinger is emeritus hoogleraar Financiële Economie in Tilburg, Jean  Monnet hoogleraar Europese Financiële en Monetaire Integratie aan de Tilburg University   en emeritus president van de Tilburg University Society. Daarnaast was hij gasthoogleraar   aan   Harvard University, hoogleraar Monetaire Economie (parttime)   bij   het   departement   Europese   Economische Studies aan het College of Europe (1994-2004), hoogleraar Economisch Beleid bij Humboldt University (parttime) van Berlijn   (1996-2000)   en   hoogleraar   Europese   Financiële Integratie  (parttime)  bij de Rotterdam School of Management (RSM) van de Erasmus Universiteit Rotterdam (2005-2008).

Professor Eijffinger was lid van het Panel van Monetaire Experts van het  Europese  Parlement  ten  behoeve  van  de  monetaire dialoog met de Europese Centrale Bank. Tevens was hij lid van   de   Adviescommissie   Toekomst   Banken   (Commissie Maas),  waarvan  de  adviezen  omgezet  zijn  in  een  Code Banken  en  de  Commissie  Structuur  Nederlandse  Banken (Commissie  Wijffels).

Hij heeft veel gepubliceerd in prestigieuze economische  tijdschriften,  zoals  Journal  of  Money,  Credit and Banking, Journal of Banking and Finance, Journal of Public Economics, Exford Economic Papers, Open Economies Review, European Journal of Political Economy en het Journal of International Economies. Hij is redacteur van verschillende vakbladen en nieuwsbrieven en programmadirecteur van het European Summer Institute van het Centre for Economic Policy Research, Londen.

 

Casper van Ewijk is sinds oktober 2013 verbonden aan Tilburg University en Netspar; van 2013 tot 2019 was hij directeur van Netspar. Van 1998 tot oktober 2013 was hij onderdirecteur van het Centraal Planbureau (CPB). Naast deze functie is hij als hoogleraar macro-economie verbonden aan de economische faculteit van de Universiteit van Amsterdam. Na zijn studie economie is hij sinds 1978 verbonden geweest aan de Universiteit van Amsterdam. In 1989 promoveerde hij aan de Katholieke Universiteit Brabant op een proefschrift over economische groei en overheidsschuld. Van 1992 tot 1995 was hij hoogleraar- directeur van het landelijk Netwerk voor Algemene en Kwantitatieve Economie (NAKE), dat het onderwijsprogramma verzorgt voor AIO’s in de economie. Sinds 1992 is hij hoogleraar macro-economie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij heeft gepubliceerd op het gebied van vergrijzing, economische groei en economische politiek.

 

Han de Jong werkt als onafhankelijk econoom op het snijvlak van macro-economie en financiële markten. Hij vervult momenteel de rol van ‘huiseconoom’ bij BNR waar hij dagelijks duiding geeft aan economische en financiële ontwikkelingen. Daarnaast adviseert hij enkele family offices en enkele andere organisaties op het gebied van vermogensbeheer. Hij schrijft commentaren en columns op zijn eigen website www.crystalcleareconomics.nl en verzorgt modules in de opleidingen van CFA-VBA. Tot einde 2019 was hij Chief Economist bij ABNAMRO.

 

Agnes Joseph werkt als actuaris bij Achmea Pensioenservices. Zij is pensioenfondsbestuurder en daarnaast lid van de commissie Actuariaat van de Pensioenfederatie, research fellow bij Netspar en docent bij het Actuarieel Instituut en bij Stichting Pensioen Opleidingen. Agnes heeft econometrie, actuariaat en economie gestudeerd.

 

Jeroen Kremers is voorzitter van de raad van commissarissen van Commonwealth Bank of Australia (Europe), lid van de raad van commissarissen van NIBC en adviseur bij Oliver Wyman. Daarnaast is hij onder meer lid van de Commissie Kapitaalmarkt van de AFM.

Kremers is als topambtenaar bij het ministerie van Financiën (1997–2002) nauw betrokken geweest bij de organisatie van het toezicht op de financiële markten. Daarna werkte hij als bewindvoerder bij het IMF (2003-2007) en was hij Corporate Executive Vice President ek lid raad van bestuur bij ABNAmro (2007-2010). Hij was CRO en vice-voorzitter raad van bestuur bij de Royal Bank of Scotland N.V. (2010-2014).

 

Jaap Maassen studeerde rechten (Mr.) aan de Universiteit leiden en Bedrijfskunde (Drs.) aan de Interfaculteit in Delft. Vanaf 1975 tot 1996 werkte hij voor Shell in diverse managementfuncties in Human Resources, Oil and Chemicals Trading en Pensioenen in Europa, het Midden- en Verre-Oosten en Noord Amerika. Van 1996 tot 2009 werkte hij als directeur Pensioenen voor ABP/APG. Tevens was hij chairman en president van de European Federation for Retirement Provision (EFRP), chairman van de European Association of Public Sector Pension Institutions (EASPI) en lid van het Consultative Panel van CEIOPS. Jaap Maassen was ook commissaris van Obvion, het hypotheekbedrijf van RABO, voorzitter van de raad van toezicht van het DSM pensioenfonds, voorzitter van de Willem Arntsz Stichting en lid van het EDHEC Risk Committee.

 

Hans van Meerten is advocaat (GMW advocaten) en deeltijdhoogleraar Pensioen- en EU recht aan de Universiteit Utrecht (gefinancierd door Stichting Instituut Gak). Hij was onder meer advocaat bij Clifford Chance en werkte voor de Nederlandse overheid in het wetgevingstraject. Hij is gespecialiseerd in pensioenen. Hij studeerde aan de VU en promoveerde aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.

 

Jelle Mensonides studeerde macro-economie aan de Universiteit Groningen. Hij begon in 1975 zijn loopbaan bij het Centraal Planbureau en stapte in 1981 over naar de Generale Thesaurie van het Ministerie van Financiën. In 1992 trad hij in dienst bij een pensioenfonds en vanaf 1996 was hij daar directie Vermogensbeheer. Sinds 2006 is hij adviseur en (voormalig) bestuurder van pensioenfondsen.

 

Benne van Popta. Bestuurder van pensioenfondsen, ondermeer oud-voorzitter pensioenfonds PMT, voorzitter/bestuurslid bedrijfstakpensioenfonds Detailhandel, voorzitter Vereniging van Bedrijfstak Pensioenfondsen. Hij was lid van de Bankraad, lid van de SER  en was lid van de eerste adviescommissie Parameters en voorzitter SPAWW (“derde ww-jaar”). Hij heeft ruime internationale ervaring als voorzitter OPSG van EIOPA, vice-voorzitter PensionsEurope, delegatieleider en deelnemer van studiereizen van pensioenexperts en lid van talrijke internationale fora.

 

Coen Teulings is op dit moment verbonden als hoogleraar aan Utrecht University. Daarvoor was hij hoogleraar economie aan de University of Cambridge. Tussen 2006 en 2013 was hij directeur van het Centraal Planbureau. Daarvoor was werkzaam als directeur van SEO Economisch Onderzoek en de Universiteit van Amsterdam (2004-2006), directeur van het Tinbergen Instituut en hoogleraar economie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam (1998-2004), hoofd afdeling inkomensbeleid, Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (1995-1998) en (sinds 1997) hoogleraar economie aan de Universiteit van Amsterdam. Voor zijn benoeming tot directeur van het CPB had hij al een stevige band met beleid. Teulings was bijvoorbeeld lid van de Raad van Economisch Adviseurs (2005-2006) en voorzitter van de commissies die het economie-onderwijs voor het voortgezet onderwijs onder de loep heeft genomen. In 1990 is hij aan de Universiteit van Amsterdam gepromoveerd op het proefschrift getiteld Conjunctuur en kwalificatie.

 

Bas Werker is professor of Finance and Econometrics at Tilburg University. His research interests cover various fields in asset pricing and asymptotic statistics. He has published work in journals as the Annals of Statistics, the Journal of Econometrics, the Journal of Finance and the Review of Financial Studies. He was associate editor for Econometrica and is currently associate editor for the Journal of Financial Econometrics. In the past he has been affiliated to Université de Sciences Sociales in Toulouse and the Université Libre de Bruxelles. He has taught courses in econometrics, investment analysis, and statistics at both the undergraduate and graduate level in various schools around the world. Moreover he supervises several Ph.D. students. He is a Fellow of the Society for Financial Econometrics and Netspar researcher coordinator. Bas Werker’s societal research interests are in pension system design and data science applications.

 

Jean Frijns (1947) studeerde en promoveerde aan de Universiteit van Tilburg; hij begon zijn loopbaan als wetenschappelijk (hoofd)medewerker econometrie aldaar. In 1980 stapte hij over naar het Centraal Panbureau en in 1988 naar het pensioenfonds ABP, waar hij in 1993 tot directeur van ABP vermogensbeheer  werd benoemd. Vanaf 2005 was hij actief als commissaris van verscheidene financiële instellingen en adviseur van diverse pensioenfondsen. Van 1995 tot 2012 was hij bijzonder hoogleraar Beleggingsleer aan de Vrije Universiteit van Amsterdam.

 

Joop Hartog (1946) is emeritus hoogleraar economie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij is gespecialiseerd in arbeidseconomie en publiceerde, alleen of met co-auteurs, een tiental boeken, meer dan honderd artikelen in internationale tijdschriften en ruim honderd bijdragen aan boeken en tijdschriften in het Nederlands. Samen met Jules Theeuwes richtte hij het tijdschrift Labour Economics op en hij schreef columns voor Nederlandse kranten gedurende meer dan 15 jaar. Hij was lid van diverse adviescommissies voor de overheid, waaronder de Raad van Economische Adviseurs. Hij was gastonderzoeker bij diverse instellingen, waaronder Stanford, de Wereld Bank, Peking University en Harvard. In 2001 werd hij benoemd als lid van Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen KNAW. In 2011 ging hij met emeritaat, maar hij is nog steeds actief als onderzoeker. Later dit jaar verschijnt bij Routledge zijn boek The Political Economy of Immigration in The Netherlands: Population, Land and Welfare.

 

Bernard M.S. van Praag (1939) is emeritus universiteitshoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam. Na zijn studie Econometrie aan de UvA was hij verbonden als medewerker aan het Econometrisch Instituut van de Erasmus Universiteit (toen: NEH), en daarna hoogleraar te Leiden, Rotterdam en de UvA. Bij de UvA was hij directeur van de Stichting voor Economisch Onderzoek (SEO). In 1986 werd hij de voorzitter-medeoprichter van het Tinbergen Instituut. Hij was onder andere kroonlid van de SER, lid van de WRR en lid van de commissie-Dekker (Structuur gezondheidszorg). Hij is lid van de KNAW en is tevens lid Verantwoordingsorgaan ABP namens Nederlandse Bond Pensioenbelangen (NBP). Hij heeft vele publicaties in internationale toptijdschriften over de meting van welvaart, en welzijn, armoede, happiness economics (Leyden School), econometrische methodologie, en verspreide onderwerpen. In 2004 verscheen van hem en A.Ferrer-i-Carbonell de monografie Happiness Quantified. A Satisfaction Calculus Approach bij Oxford University Press (revised paperback in 2007). Hij was vaste columnist bij de ESB en schreef regelmatig in dagbladen zoals het NRC Handelsblad en Volkskrant.